De Nederlandse overheid begon in december in de Oostvaardersplassen met het systematisch afschieten van 1.800 edelherten. Bijna vijf maanden later staat de teller op 1754 gedode stuks. Daarmee komt een einde aan het experiment, waarbij de mens als leerling-tovenaar in de natuur allerlei krachten opwekte die destructief uitdraaiden voor de dieren.

Maandag 10 december 2018. Pas na de middag zitten alle omstandigheden mee. Geen al te harde wind, een afgezonderd exemplaar dat breed staat, een rustige en overzichtelijke situatie zonder actievoerders. En dan, na maanden procederen en maatschappelijk en juridisch debat gebeurt het – een schot. Het éérste schot, in een duel zonder winnaars, afgevuurd vanuit een schuilhok. Meteen daarna, een dertigtal meter verder, stort van de klap een jong hert neer. Het kijkt verbaasd en onwetend om zich heen. Het hinkt. Het strompelt in een schijnbaar laatste reflex naar zijn moeder, maar stuikt tegen haar poten. Treffender kan niet. Het jonge dier zakt tenslotte op de grond en blijft roerloos liggen. Meteen daarna volgt een tweede knal over de Oostvaardersplassen. Nu gaat het vrouwelijke hert onderuit.

Overdreven? Alles staat nochtans op beeld, want Staatsbosbeheer liet een cameraploeg toe, de eerste dag dat het neerschieten van 1.800 edelherten begon. En die filmde van begin tot einde, en wist direct (zoals elke journalist intuïtief weet wanneer die een primeur ziet):  dit betekent ophef. Debat. Beroering. En inderdaad: de beelden, cinematografisch te goed voor woorden, lokten de nodige verontwaardiging uit.

Maar het schot betekende zo veel meer dan het einde van het leven van het ondervoede kalf – het legde bovenal het debat over de Oostvaardersplassen in een definitieve plooi. Want de knal verscheurde die typische, gewijde stilte die over rurale, verlaten landschappen hangt. En met het symbolisch opheffen ervan, met terug luidruchtig zijn plaats op te eisen als terreinbeheerder, maakte de mens een einde aan de catastrofe die hij zelf initieerde.

Hoezo?

In wezen draait het drama van de Oostvaarderplassen rond hybris, overmoed – intellectuele en wetenschappelijke overmoed door de mens. Die meende, bij de opstart van het project, dat hij op basis van allerhande ecologische en biologische modellen het gedrag van het gebied tot in de details kon voorspellen. Hij wist met gerede zekerheid, en geïnspireerd door soortgelijke experimenten in het buitenland, hoe de Oostvaardersplassen mettertijd zouden evolueren. De uitkomst lag daarom bij aanvang al vast. Want de mens, gedreven door een scheppend
verlangen, ging uit van de maakbaarheid van de natuur.

Maar dat liep anders uit. Meer nog: al van het begin draaide alles anders uit (alsof het om een omen ging). Oorspronkelijk diende het poldergebied tussen Almere en Lelystad (in de jaren dertig van de vorige eeuw teruggewonnen op de zee) voor de glastuinbouw en als industrieterrein, maar door een samenloop van omstandigheden bleven die plannen in de koelkast. Daardoor kreeg het gebied de kans om te vervellen tot een uniek biotoop, in trek bij zeldzame vogels, zoals de lepelaar of het baardmannetje. Natuurorganisaties, die een gouden kans roken, pleitten daarop voor behoud, en wonnen het pleit in 1974.

Om menselijk ingrijpen tot een minimum te beperken, werden in navolging van runderen en paarden in 1992 een veertigtal gezonde edelherten uitgezet. Hun functie? Als ‘gratis beheerkrachten’ voorkomen dat het gebied overwoekerd raakte, vooral dan door vlierstruiken, en maken dat het waterige gedeelte een samenhangend geheel vormde met de droge randzone, waar de grauwe gans zich schuil kan houden tijdens de rui.

Achter die maatregel zat een prikkelende basisfilosofie, namelijk: laat de natuur terug ongestoord natuur zijn. Dat wil zeggen: ongerept en puur, ontzaglijk en ongetemd, en zo veel mogelijk gezuiverd van artificiële elementen. In die zin vergelijk ik de Oostvaardersplassen met de tuinen van Versailles, maar dan als precies het omgekeerde: waar de Zonnekoning het hele landschap wilde temmen en overzichtelijk opdelen in parkjes, doolhoven en aparte tuinen, daar wilden de pioniers in de provincie Flevoland net de brute kracht van de natuur in vol ornaat laten ontbolsteren. Wat ik nu ga zeggen kan vreemd klinken, maar in die zin doet het project van de Oostvaardersplassen (en het hele concept van rewilding dat momenteel opgang doet in ecologische middens) in wezen romantisch aan. Niet in de betekenis van verliefdheid en melige tafereeltjes tussen minnaars. Maar romantisch in de historische en culturele zin van het woord, als tijdsgewricht, als stijl, waarbij het subjectieve in fel contrast kwam te staan met de grootsheid en grilligheid van al het andere werkelijke.

Tegenover de vele vragen en gevoeligheden waarmee de romantische ziel in de negentiende eeuw worstelde, volgde de nietszeggende stilte van het landschap en het heelal –van de maan, de sterren, de dieren, de aarde. Met name Caspar David Friedrich (1774 – 1840) gaf in zijn mystieke schilderkunst op een visueel verbluffende manier weer hoe zijn tijdgenoten naar de natuur keken, en die natuur vervolgens percipieerden – namelijk als woest, onherbergzaam, ruw, donker; als een raadsel, onverschillig en doof voor ieder smeken; als een extern verzelfstandigd agentschap, een ondoordringbare realiteit die aan niets of niemand verantwoording aflegt, behalve misschien enkel aan zichzelf. Door die brute afstandelijkheid kreeg de natuur in die visie een bijna goddelijk karakter, en kreeg de fascinatie ervoor iets van een religie.

Kort door de bocht, maar dat droombeeld – van een natuur volwaardig naast de menselijke natuur, van een tastbare realiteit die met één vingerknip al het menselijke relativeert – leeft volgens mij (impliciet) verder in de Oostvaardersplassen. Alleen al de keuze voor heckrunderen en konikpaarden, machtige oerdieren uit het Europese vasteland met een lange geschiedenis, past perfect in dat plaatje. En dat Staatsbosbeheer het domein grotendeels als ontoegankelijk catalogiseerde voor bezoekers –uit het zicht onttrokken als een soort verborgen achterwereld, wat de aantrekkingskracht ervan alleen maar vergroot – mag allicht ook geen toeval heten.

Omdat destijds (hartje Koude Oorlog) bewust voor dat laatste model gekozen werd, en niet bijvoorbeeld voor een tussenvariant met meer menselijke tussenkomst, lees ik de beslissing daarom als ideologisch gedreven. En met ideologisch bedoel ik: vertrekkend vanuit een visie op mens en maatschappij, een negatieve in dit geval. Door de natuur als enige waarde centraal te stellen, formuleert de Oostvaardersplassen  onvermijdelijk kritiek op de toenmalige hedendaagse mens, en meer specifiek op zijn neiging om de hele wereld te onderwerpen en te beschouwen als één grote speeltuin, waar zijn wil als wet heerst. Ik lees de keuze voor de woestenij – het wassende water, het zuigende slijk, de kale Hollandse steppes – als een permanente kritiek op een samenleving die, letterlijk en figuurlijk, steeds meer terrein prijsgeeft aan industrie en bebouwing, gedreven door een onstilbare honger naar bezit en bescherming, en die in de jaren zeventig en tachtig oog in oog stond met de bizarre mogelijkheid van een totale nucleaire vernietiging.

De natuur, opgericht in de Oostvaardersplassen, moest kortom dienen als alternatief. Als louterende tegenpool. Misschien zelfs als een waarschuwing, hoe de toekomst eruit zal zien zonder mens. In die romantisch aandoende ambitie, kon de mens wegdromen van een zuivere wereld, eerlijk en echt: niet complex, niet politiek, niet giftig.

Maar dat romantische plan van aanpak komt met een keerzijde, leerde Nederland door scha en schande. Door krachten op te wekken die zijn inschattingsvermogen overstijgen, en door cruciale factoren over het hoofd te zien (de onmogelijkheid voor het vee om uit te wijken, het gebrek aan natuurlijke predatoren, de strenge winters, het gebrek aan voedsel) speelde de mens voor leerling-tovenaar. En net zoals in het oorspronkelijke verhaal kon hij op den duur de situatie niet meer te baas: alles wat hij deed of niet deed maakte het erger, ingewikkelder.

Maar niet hij, de mens, maar de dieren betaalden een prijs voor diens overmoed en diens grensoverschrijdende gedrag, dat erin ligt beter dan de natuur te menen weten hoe de natuur werkt. Volgens sommige rapporten verdween een aantal zeldzame vogels, zoals de woudaap en roerdomp, destijds nochtans de hoofdreden om het experiment een kans te geven. Ook het beheer van vooral de edelherten draaide uit op een ongezien fiasco (de cyclische dood in de Oostvaardersplassen toont een huiveringwekkend aangezicht van karkassen waarvan het vlees aan knoken in de wind wappert, van uitgemergelde edelherten bevroren in het water. In één woord samengevat: de dood als gruwel. Weliswaar nietszeggende gruwel, maar een aanblik vol horror).

En tot overmaat van ramp lijken nu zelfs de noodoplossingen die Staatsbosbeheer bedacht heeft te falen – een afschotplan van twintig edelherten per dag realiseren, gebeurt moeizaam, en het verplaatsen van de konikpaarden lijkt makkelijker gezegd dan gedaan. Alsof de natuur, verbolgen om zoveel onbezonnenheid, voor een tweede maal zijn middenvinger uitsteekt.

Dat maakt het allemaal ironisch, natuurlijk. Te meer ook: de serie beelden van dode dieren bewijzen op een macabere manier net het romantische karakter van de Oostvaardersplassen. De massale sterfte komt door onwrikbare biologische wetmatigheden die zich geen moer aantrekken van menselijk sentiment; de ideeën ontsproten uit de hoofden van biologen en natuurliefhebbers blijken niet volledig adequaat
en botsen tegen de doofstomme werkelijkheid van fauna en flora, die groter en onvoorspelbaarder is dan gedacht. Woester en meedogenlozer kan de natuur zich niet presenteren, dan in de jaarlijkse massagraven.

Zo bekeken is het experiment toch enigszins geslaagd: het stelt namelijk het denkvermogen van de mens in vraag, en met zijn denkvermogen zijn arrogantie om voor God te spelen. Bovendien: hoewel de mens zich terugtrok uit de Oostvaardersplassen (zoals ook God deed na zijn schepping door zijn adem in te houden, en afstand te creëren) staat vandaag meer dan ooit diezelfde mens ter verantwoording. Waarom kon hij, in zijn voortvarendheid, niet alle evoluties voorzien en anticiperen? Maar vooral: tot waar draagt zijn verantwoordelijkheid?  Bijvoorbeeld, de paarden bijvoederen of niet? Het debat toont daarnaast een versplinterde ethiek, waarbij verschillende belangengroepen niet noodzakelijk dezelfde eisen stellen, en het stelt zelfs de draagwijdte van de taal ter discussie: bestaat eigenlijk wel een woord om de uitgezette grazers te typeren: niet gedomesticeerd, maar ook niet volledig meer wild? Maar iets daartussen – hoe te omschrijven dan, en hoe navenant te behandelen? Het stelt pertinente vragen zoals: hoe verhoudt de mens zich fundamenteel tot de natuur: als heerser, als  beheerder, als opzichter, of als gelovige en onderdanige? En welk soort natuurlandschap past wel en niet in een West-Europees land, en tegen welke prijs mag die komen? Vragen, maar geen antwoorden.

Met het schieten van het hertenjong komt nu echter een einde aan het experiment. Niet alleen symbolisch, maar ook in de feiten. Vanaf nu bepaalt de mens en niet langer de natuur wie in de Oostvaardersplassen overleeft. Getemde wildernis, zo vatte De Groene Amsterdammer de nieuwe situatie paradoxaal samen. Dood door de kogel lijkt in alle opzichten (politiek, commercieel, bio-ethisch) meer gepast en introverter
dan het obscene en opzichtige sterven door een gebrek aan voedsel. Door de komende weken de populaties te decimeren en die in het vervolg kunstmatig laag te houden, veegt Staatsbosbeheer het bord schoon – een tabula rasa, om de situatie te ontwrichten en het krachtenveld op orde te krijgen.

Misschien ietwat dramatisch uitgedrukt, maar de Oostvaardersplassen kunnen daarom als een spiegel gezien worden – een spiegel waarin de mens kijkt, zijn ware gelaat ziet en schrikt. De geschapen wildernis toont niet alleen haarzelf in al haar facetten, maar veel meer nog toont ze een conceptuele wildernis bij de denkende mens, die zichzelf schaakmat zette.