‘Jagen is gelukkig gedemocratiseerd: iedereen met een hart voor de natuur kan aan het jachtexamen deelnemen en een jachtverlof bekomen.’ Dat schrijft HVV-cartograaf Cedric De Haes in zijn maandelijkse column.

Onder jagers gaat het al eens over wapens. Welk kaliber, welke kijker, voordelen van elk merk,… Een jachtkameraard, die redelijk wat wapens bezit, vertelde me ooit dat hij het jachtgeweer van ex-premier Vanden Boeynants in zijn verzameling had. Een elegante twintiger met Engelse kolf, juxtaposé met bodemloos diep gemarmerd hout. Kers op de taart en bewijs van zijn verhaal: de gouden letters ‘VDB’ die schitterden op de bascule. Ik denk niet dat Frank door bos en veld ploeterde op zoek naar een fazant.

Als kind van de jaren 90 heb ik de hoogdagen van VDB nooit meegemaakt, maar die periode intrigeert me wel. Even herinneren, het ging er in België soms woelig aan toe: Westland New Post, Gladio, De Bende van Nijvel, de Cellules Communistes Combattant (CCC),… Die loden jaren brachten gelukkig ook iets goeds voort: mijn ouders leerden elkaar kennen. Ze hebben gewacht tot het stof van de val van de Muur was gaan liggen om me in het gezegende jaar 1993 op de wereld te zetten. Gedurende mijn jeugd zou de discussie blijven voortkabbelen of het ketje aller ketjes gelieerd kon worden aan de chaos in de jaren 80. Het bewijs ontbreekt. Over minstens één zaak was VDB overduidelijk: hij aarzelde niet om te bekennen dat hij jager was. Eén van zijn politieke analyses waarbij de grootwildjager in hem spreekt: “Vous savez, les vieux crocodiles pour les abattre, il faut tirer juste dans l’oeil. Sinon vous ratez!” (“U weet, om oude krokodillen te doden moet u juist in het oog schieten. Anders mist u!”).

Terug naar 2019. Onze criticasters spreken dikwijls over ‘de machtige jachtlobby’, alsof wij onbeperkte financiële en sociale pushmiddelen hebben. Als we over de generatie VDB spreken, lijkt me daar wat waarheid in te zitten: iedereen met macht leek elkaar te kennen en in de achterkamertjes van de politiek zouden zaken ‘gearrangeerd’ worden. De tijd dat het parlement en de magistratuur stil werden gelegd bij de opening van het jachtseizoen is voorbij. De tijd dat enkel de ‘happy few’ mochten oogsten wat de natuur te bieden heeft, is gelukkig afgelopen. Jagen is gedemocratiseerd: iedereen met een hart voor de natuur kan aan het jachtexamen deelnemen en een jachtverlof bekomen.

Als jagers zijn we de maatschappij verplicht om in alle openheid te communiceren over wat we doen. De achterkamerpolitiek werkt niet meer (als die al ooit gewerkt heeft?). Net als de jacht is ook de maatschappelijke macht van elke burger verder gedemocratiseerd. En die burger stelt kritische vragen: Waarom bejagen we vossen? Wat als we niets aan de everzwijnen doen? Hoe verantwoorden we reewildbeheer? Elke jager is een ambassadeur van de weidelijke jacht en moet daar ook naar handelen. Dit betekent niet dat we als jagers zomaar alle beschuldigingen en laster braaf moeten slikken. Want trop is te veel eh… of te veel is trop!