Cedric De Haes, cartograaf bij Hubertus Vereniging Vlaanderen en verantwoordelijk voor de jachtplannen, schrijft in deze column, die maandelijks verschijnt en waarvan dit de eerste bijdrage is, over hoe hij in de jacht is gerold en de rit ervaart als jongjager. Meestal rolt het vlot, maar af en toe is het ook eens bergop.

Als jagers over hun eerste stappen in de jacht vertellen, zijn de woorden ‘passie’, ‘roeping’ en ‘gedrevenheid’ meestal niet ver weg. Een paar metaforen geven hun verhaal kleur en maken het amusant om naar te luisteren. Ik heb me er ook schuldig aan gemaakt toen ik als jonge snaak solliciteerde bij HVV. In mijn sollicitatiebrief, die ik voor deze column nog eens opsnorde, schreef ik: ‘Jacht is een passie waarvoor ik nieuwe uitdagingen wil aangaan’. Gelukkig waren mijn technische kwaliteiten goed genoeg om aangenomen te worden.

Ik vrees dat mijn eerste stappen in de jachtwereld wat minder romantisch waren. Na een jaar Geschiedenis aan de KU Leuven schreef ik me in voor een bacheloropleiding Natuur- en bosbeheer in Hasselt. Het wetenschappelijke bleek me beter te liggen dan de begin- en einddatum van de Honderdjarige oorlog te onthouden. 1337 tot 1453 blijkbaar.

Qua economische zekerheid was ik er, dacht ik, niet op vooruit gegaan: een diploma Geschiedenis zou me niet rijk gemaakt hebben en in de natuursector was het kommer en kwel. Het ANB werd voor de zoveelste keer hervormd (met de nodige afslankingen) en bij Natuurpunt stonden duizenden vrijwilligers klaar om sollicitatiebrieven vol ‘passie’, ‘roeping’ en ‘gedrevenheid’ te schrijven.

In Hasselt was ik nog steeds zoekende naar iets waar ik m’n tijd mee wilde verslijten. Een sympathieke prof smokkelde tussen zijn uiteenzetting over meanderwerking in rivieren en zijn theorie over het toen brandend actuele Essersbos al eens een levenswijsheid. Hij stelde: “Zolang je je maar genoeg specialiseert in iets, vind je sowieso werk”. Die woorden zijn me altijd bijgebleven. Aangezien sommige studiegenoten en lectoren jacht niet begrepen, begon ik als geboren advocaat van de duivel net dat onderwerp steeds interessanter te vinden. Bovendien zou er weinig concurrentie van mijn studiecollega’s zijn op de arbeidsmarkt. Uit economisch opportunisme heb ik me dus tijdens elke paper, literatuurstudie, stage, scriptie,… verdiept in de jacht. In augustus 2016, een maand nadat ik afgestudeerd was, was ik dan ook opgelucht dat mijn gok op jacht in Vlaanderen verzilverd werd met een job bij HVV.

Als iemand me nu vraagt wat voor werk ik doe en waarom ik dat doe, laat ik het verhaal over economisch opportunisme wijselijk achterwege. Ondertussen heb ik van de warme vriendschap die onder jagers leeft mogen proeven, geniet ik van de hazen die in ‘mijn’ fauna-akker leven en eet ik vlees dat met respect voor dier en milieu wordt geoogst. Jagen stopt voor mij niet na 17 uur, het is iets dat onlosmakelijk verbonden is met mijn ware ik. En dat de lening afbetaald geraakt is mooi meegenomen.