“Door in de herfst en winter te gaan jagen, begon ik fris aan het wielerseizoen.” Eric Leman, drievoudig winnaar van de Ronde van Vlaanderen, komt in zijn jachtrevier tot rust. “Ik was snel op de fiets en al lopend. Heb eens anderhalve kilometer achter een ziek geschoten haas gesprint.”

“De dag voor een grote koers moest iedereen me met rust laten. Ik wilde niemand zien. Gewoon op bed liggen. Rusten. De benen languit. Niets doen. Tegen de verveling bekeek ik prentenboeken van de jacht.”

Eric Leman (71) zegt het veertig jaar na datum nog altijd met veel plezier, alsof het allemaal gisteren betrof. Wat? De hoogtepunten en bijzonderheden van zijn profcarrière als wielrenner.

En wat voor een carrière. Driemaal winnaar van de Ronde van Vlaanderen, vijf ritten in de Tour de France, als eerste over de meet in Kuurne-Brussel-Kuurne, meerdere etappes op zijn naam in Parijs- Nice en de Ruta del Sol, en voor eigen publiek eindwinnaar van de
Driedaagse van West-Vlaanderen –provincie van varkens, binnenvetters en noeste pedalenstampers.

En dan nog die almachtige overvloed aan ereplaatsen in Milaan-San Remo, de Waalse Pijl, Luik-Bastenaken-Luik, Parijs-Roubaix en koersen die vandaag niet meer bestaan zelfs. Over historisch gesproken.

De ijsman versus het kasplantje

Het ‘sprintertje van Ledegem’, net geen meter zeventig, kon als geen ander verschroeiend uithalen in de laatste driehonderd meter. In zijn eigen woorden: “Ik ontplofte met de aankomst in zicht. Kon in twintig meter van veertig kilometer per uur naar zestig versnellen. Nam meteen twee fietslengtes afstand. Op honderd meter gaf ik dan een tweede snok. Soms naderde de concurrentie; zag dat in mijn ooghoeken. Maar die zaten ‘t end asem. Waren zacht. Raakten er niet meer over. Vent toch, ik heb schone sprinten gereden in mijn leven.”

Schone sprinten tegen schone concurrenten: tegen Walter Godefroot (“een machtige coureur, maar een moeilijke mens soms”), tegen Freddy Martens, de broertjes Erik en Roger De Vlaeminck, Felice Gimondi en Eddy. “Eddy weet het wel. Heeft me nooit op mijn doos gegeven. In Parijs-Nice, in een één op één, klopte ik Merckx met tien meter afstand. Ga ik nooit vergeten. Hij ook niet.”

Die explosiviteit, ook na meer dan 250 kilometer trekken en sleuren, komt door dat bizarre vermogen om af te zien te zien als beesten. “Ik was een ambetanterik voor mezelf”, zegt Leman met speelse oogjes. “Ik moest gemarteld thuiskomen. Compleet kapot. Choco. Niet meer wetend hoe ik heette. Uit welk land ik kwam. Aangenaam? Totaal niet aangenaam. Maar nuttig. Door in het rood te gaan, legde ik een verlengstuk aan, voor die laatste, lange twintig kilometers in een klassieker van 270 kilometer of meer. Waar de jongetjes van de mannen gescheiden worden. Dat maakte het verschil tussen winnen en verliezen. Een coureur is een wegarbeider.”

Wat ook hielp: zijn vader. En diens beslissing om de kleine Eric nog twee jaar Franse les te laten volgen in Moeskroen – kinderen moesten toen maar tot hun veertiende naar school, vader Leman breidde daar een vervolg aan. “Maar ik werkte liever met mijn handen. Maar pa wilde dat niet. Dus ik zei tegen hem: en hoe ga ik daar geraken? Want dat was elke dag, op en af, 56 kilometer rijden. En hij antwoordde: met de fiets, slimmen – in het kot stond iets dat geleek op een fiets. En zo geschiedde: elke dag, door weer en wind. Zonder pardon. Koud dat ik gehad heb. Het ijs hing in de winter aan m’n neuze. Maar ook dat maakte me sterk voor later – dat, en de jaren erna, toen ik als beenhouwersgast overal het vlees met een fiets en laadbak naartoe moest brengen. Met als gevolg: hoe meer wind, hoe meer regen, hoe beter de koersomstandigheden voor mij. Ik kreeg de bijnaam: de ijsman. Merckx moest altijd twee paar sokken en drie verschillende vesten aantrekken om het warm te krijgen. Precies een kasplantje.”

Leman, lachend: “Trouwens, ik kan nog altijd geen Frans.”

Eric Leman daags na zijn eerste overwinning in De Ronde van Vlaanderen

 

Leman en zijn trofeeën

In de eerste Ronde van Vlaanderen die hij won, in 1970 met aankomst in Merelbeke, betekende dat bijna zijn verlies. Net omdat hij makkelijk tegen de barre omstandigheden kon, trok hij na dertig kilometer al zijn regenjasje uit. Het zat toch maar in de weg. Maar omdat de volgwagen niet meteen kon komen, en omdat Leman ongeduldig werd, wierp hij het kledingstuk in de graskant. Tot even later zijn frank viel en hij zijn eigen stommiteit besefte: in één van de jaszakken zat nog een uurwerk. Hij moest terugkeren en kneep zijn frings dicht – zijn remmen. Gevolg? Hij raakte achterop, terwijl het peloton in waaiers uiteen getrokken werd. Leman kan zichzelf nog altijd voor de kop slaan. “Nooit is me dat nog overkomen.” Maar dan hielp het lot een handje. Door de neergelaten slagbomen van een trein die toevallig passeerde – “de volgende dag bracht ik eieren naar de Arme Klaren” – kwamen de groepen als een accordeon weer bijeen. “Sommigen vonden mijn winst daarom onterecht. Ik niet. De koers was toen nog zeker tweehonderd kilometer. Geluk, ongeluk – het hoort erbij. Ik heb daarna mijn deel gedaan onderweg en klopte, amper 23 jaar oud, Merckx en Godefroot, die achteraf kwaad reageerden. Kon mij dat wat schelen.”

Zoals de traditie het wilde, gingen de journalisten de volgende ochtend naar het huis van Leman, voor een uitgebreid interview met de relatief onbekende en onverwachte winnaar. Nog een dag later verscheen een opvallende foto in de krant – van Leman die over een gracht springt in jagerstenue (met een volle patroongordel) en met een tweeloop in de handen. Op nog een andere afbeelding hield hij een koppel dode hazen vast aan de oren – zelf geschoten. Het onderschrift, dat niet bij iedereen in goede aarde viel, luidde: “Leman met zijn twee trofeeën: Merckx en Godefroot”.

Door de bieten drijven

Leman is een jager. In de figuurlijke zin van het woord: gedreven door eindzeges, roem en een palmares dat als een monument de tand des tijds moet weerstaan. Maar ook letterlijk een jager: op vooral kleinwild. Hazen, fazanten, wilde konijnen, bosduiven: die soorten dragen zijn voorkeur weg, een chevreuil daargelaten. In Passendale bestiert hij een jachtterrein van 354 hectare, samen met zijn zoon, een even grote liefhebber (wat het buitengebied betreft, minder het universum van de koers – hij zocht succesvol zijn weg in de markt van de schoonmaakartikelen).

Leman: “In het hoogseizoen jaag ik vijf op de zeven dagen soms. En de twee andere dagen van de week denk ik eraan. Als ik nog koerste, werd ik zenuwachtig rond de opening van de patrijs, en wilde ik van de velo. De belangrijkste les die ik leerde in al die jaren: weet welke aantallen in je jachtgebied zitten. En stop op tijd; weet hoeveel je maximaal mag schieten. Maar de opkomst van de vos en het moordende verkeer maakt het beheer niet makkelijker.”

Het begon toen hij acht was, die tweede passie van hem, naast ontiegelijk hard stampen op de fiets. “Vader kweekte thuis goudfazanten, bosfazanten, koningsfazanten. Van alles eigenlijk. En mijn peter was een vogelvanger met van die grote netten op de grond. Dat mocht toen nog, nu niet meer. Op een zekere dag zijn we bezig, en passeren drie jagers. Nog wat later volgt in de verte een schot, en dertig meter vóór ons valt een fazant in de bieten. Ik vond dat schoon, dat tjolen door de velden met honden. Dus ik vroeg of ik mee mocht. Geen probleem, zei de jager die Roger heette. Plaats van afspraak: zijn hoeve, om acht uur dertig, de week daarop. Tegen dat het zeven was, stond ik er al. Toen is dat begost. Ondertussen zit ik aan mijn 53ste permis.”

De twee jachthonden van Eric Leman

Leman bezit twee jachthonden: Cara en Hokey, respectievelijk een Drentse patrijshond (een teefje) en een kloeke Welshe springerspaniël (een reu). Die laatste noemt hij “de echte Leeuw van Vlaanderen – wat een beest op het veld is me dat zeg. Apporteert, speurt wild op, van niets bang. Ik hou van actiehonden, en zeker als ik die zelf opgeleid heb.”

In zijn koersjaren was hij niet de enige die jaagde. Ook Guido Reybrouck, Martin Van Den Bossche, Freddy Maertens trokken geregeld het veld in; Herman Van Springel ging soms mee als drijver. “Ook mijn lieve vrouw, Magda, vergezelt me. Ze is zeventig en doorkruist de bieten, de velden, de grachten, de stekkerdraad, de netels. Niets houdt haar tegen.”

(Magda – zijn tweede vrouw, die hij afwisselend ‘mama’ en flirterig ‘jongedame’ noemt – waakt over haar Eric. Tijdens het interview zorgt ze voor koffie met koekjes en zelfgemaakte krokante kaasschilfers, en hint tegen Eric welke avonturen hij nog allemaal moet vertellen – het gestolde verleden van anekdotes en straffe stoten: vaak de werkelijke erfenis van een renner.)

Maar naast een goede manier om zijn gedachten te verzetten en zijn passie voor de natuur te botvieren, bleek jagen tijdens winterstop ook een ideale voorbereiding op het koersseizoen, dat aanvang neemt met de Omloop Het Volk, het eerste weekend van maart (nu de Omloop Het Nieuwsblad). “Ik kwam fit de winter uit: op gewicht, de motor onderhouden, de spieren soepel. Ik turnde elke dag een half uurtje en liep daarnaast kilometers op het veld. Ik heb eens anderhalve kilometer achter een gewonde haas gesprint – en het is me gelukt. Dat was mijn training. Buiten zijn, op jacht gaan. Cyclocross en op de piste rijden, deed ik niet.”

Wielergod

Als Leman vandaag over straat wandelt –kwieke tred, blinkend kaal hoofd, piekfijn aangekleed, zijn leeftijd niet na te geven– wordt hij toegeroepen, net als wanneer hij zijn jachtterrein inspecteert. “Zelfs door mensen die niets moeten weten van de jacht. Maar als ik met hen spreek, vertrekken ze als halve vrienden. De koers helpt om mijn verhaal over wildbeheer te vertellen.”

Toch klinkt zijn naam niet bij iedereen als een klok, toch niet in vergelijking met een Johan Museeuw, een Fabian Cancellara of een Tom Boonen: wonnen ook alle drie driemaal de Ronde van Vlaanderen, en kwamen zo in het pantheon van de wielergoden. De populariteit van Leman blijkt iets beperkter, ook tijdens zijn actieve carrière al. Toen hij tweede finishte in Milaan-San Remo, in 1974, reserveerde de krant een klein plekje voor die prestatie. “Mocht ik vandaag zo hoog eindigen, journalisten schreven allicht bladzijden vol”, zegt hij. En ja, dat heeft hem gefrustreerd. “Zeg maar: geërgerd. Maar ik vocht terug met de pedalen, zonder veel te zeggen. Wat kon ik doen? Toch moeilijk zelf de krant volschrijven?”

Zwijgen, de kalmte bewaren, zich terugtrekken, de aandacht vermijden, geen woorden maar daden, vertrouwen op eigen kennis en kunde, en gewoon doen: het typeert de West-Vlaming ten voeten uit, die nu in Wortegem-Petegem woont. “Ik weet dat niet iedereen mijn stijl van fietsen even hard apprecieerde. Maar dat interesseerde me niet. Ik kende mijn sterktes en zwaktes; ik deed absoluut mijn deel van het werk als ik kon volgen, en als ik vijf meter minder op kop reed dan Godefroot en Merckx was dat niet mijn, maar hun probleem. Winnen: daar gaat het in wielrennen om.”

Fiets aan de haak, vissen maar

Dan een bekentenis. “Vroeger heb ik vaak gedacht: was ik maar minder snel. Dan ging het allicht makkelijker in Flandria, de groep waar ik onder contract lag.” Flandria, dat was het Deceuninck – Quick-Step van de jaren zeventig: de te kloppen formatie, sterk in de breedte, aangepast aan alle terreinen. Een oorlogsmachine op de weg. Podia met drie of meerdere winnaars uit de groep vormde geen uitzondering. Tot die gouden lichting behoorde, naast Leman als snelle man en Briek Schotte als ploegleider, de broers De Vlaeminck, tot 1971 Godefroot, Joop Zoetemelk (‘oersterk’), Michel Pollentier, en de engel Jean-Pierre ‘Jempi’ Monseré, die in 1971 in Lille op straat stierf door in volle vaart op een stilstaande wagen te knallen.

In een van de sterkste formaties meerijden, en presteren op een moment dat de allergrootste –Merckx de machtige, Merckx de moeiteloze– mee in de koers rijdt: is dat een voordeel dan wel een nadeel, achteraf gezien? Leman antwoordt nuchter, in het reine met zichzelf over de kwestie: “Het geeft mijn prestaties alleen meer glans. Ik versloeg niet de minste. Anderzijds: zonder die sterke concurrentie had ik allicht meer koersen gewonnen. En vaak kwam de grootste weerstand nog uit mijn eigen ploeg. Daarom dat ik zeg: was ik soms maar minder snel, dan had dat allicht minder spanningen gegeven.”

Maar dat behoort tot het verleden –een verleden waarover hij graag en smaakvol vertelt, ondanks zijn imago van zwijger. Vandaag geniet Leman van het leven. Maar niet door te ontspannen. Dat kan hij niet. Het is te zeggen: bewegen, bezig zijn (“geef me een plankje en ik maak een vogelhuisje”), in de hof werken, tegen zijn witte boerenganzen babbelen – dat brengt rust. Niet in een zetel zitten, hangend voor televisie. Maar wandelen, jagen en ook vissen, op paling, op zeebaars in de Noordzee, en laatst op kabeljauw en leng in Noorwegen. En fietsen? “Neen. De fiets hangt definitief aan de haak. Ik doe geen kilometers meer. Zot. Ik volg de koers nog, natuurlijk. Word overal uitgenodigd. Maar zelf rondjes doen? Ik heb achtmaal de wereld rond gefietst. Lijkt me voldoende. Niet?”