Isabella Rozendaal, een fotograaf uit Nederland, heeft in Den Haag een opmerkelijke tentoonstelling lopen over de jacht. ‘Ik volgde speciaal de jachtcursus. Kogelschieten ging bijna vanzelf, maar hagel vond ik pittig.’

‘Een vrouw die met onbekende, gewapende mannen een bos ingaat, in een vreemd land: niet bepaald een typisch uitje.’ Isabella Rozendaal (1983) reisde de afgelopen tien jaar de wereld rond, om overal jachttaferelen vast te leggen. Het resultaat van die oefening valt nog tot twaalf mei te bewonderen in het Fotomuseum Den Haag, waar de Nederlandse tentoonstelt. ‘Ik kon makkelijk een anti-jachtverhaal brengen, maar dat levert niets op. Ik wil in mijn beelden net de dialoog aangaan. Mijn veganistische vrienden vonden het in elk geval fantastisch.’

Isabella Rozendaal

Vanwaar kwam het idee om de jacht als onderwerp te kiezen?

‘Eigenlijk rijpte de gedachte tien jaar geleden, toen ik afstudeerde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten met een project over huisdieren in Nederland. Ik legde toen verschillende zaken vast: hondenshows, kattenfokkers, dat soort dingen. Mij viel vooral de relatie op tussen de eigenaar en zijn beestje, en hoe die laatste vaak integraal deel uitmaakte van de familie, als een extra lid met speciale rechten. Dat vond ik opmerkelijk, temeer omdat het eten van andere dieren, zoals runderen en varkens, dan weer totaal geen probleem vormde.’

‘Terwijl voedsel toch om iets heel persoonlijks gaat. Eten is en blijft een directe connectie met de natuur, persoonlijker en intiemer kan niet. Je neemt het letterlijk in de mond; het moet je sterken, voeden, op de been houden. En toch gebeurt het grotendeels onbewust. Vlees wordt zonder denken naar binnen geschoven; het dier wordt onzichtbaar. Maar eenmaal geconfronteerd met de realiteit en de grote misbruiken, reageren consumenten wel zeer verontwaardigd. Een vorm van cognitieve dissonantie.’

 

Waarom moet een mens dat weten? Wat draagt dat bewustzijn bij tot het leven?

‘Een consument moet beseffen dat hij in verbinding staat met een hele wereld. Dat hij een verantwoordelijkheid draagt, en dat een bepaald soort gedrag tot een bepaald soort gevolgen leidt. Ik wil niet als een rondzwevend wezen door het leven gaan, zich van niets of niemand bewust. En dan doel ik niet enkel op de productie van vlees, maar evengoed op al de andere spulletjes die ik koop: van kleding tot gadgets als smartphones. Ik gebruik grondstoffen die anderen niet kunnen gebruiken, en ik vind dat ik dat moet weten, en zeker als het levende wezens betreft.’

Jagen als alternatieve levenswijze, is dat wat u in uw tentoonstelling bepleit?

‘De jager is zelf ook niet heilig, en ik geloof bijvoorbeeld niet in jagen zonder dierenleed. Maar ik vind de jacht wel een manier om bewust met vlees, voeding en dieren om te gaan. Het confronteerde alvast mezelf met de vraag, en daarin lag ook mijn persoonlijke motivatie.’

Kende u de jachtwereld vooraf?

‘Neen. Ik groeide op de stad. Daarom dat, de eerste keer dat ik meeging met een jager, die relatie mij zo sterk opviel. Omdat het totaal anders was dan wat ik kende. De interactie met de natuur, het onderdeel ervan uitmaken, maakte diepe indruk op mij. Daarom besliste ik om zelf de jachtcursus te volgen. Ik leerde op korte tijd veel bij, en kreeg tegelijk toegang tot de jagers, toch nog altijd een subcultuur. ‘

En u slaagde voor het examen?

‘Toch voor het theoretische onderdeel. Maar aan het praktijkgedeelte deed ik niet mee. Ik heb verschillende keren geschoten tijdens oefeningen. Kogelschieten ging bijna vanzelf, maar hagel vond ik pittig. Op de een of andere reden bezit ik daar geen natuurlijke aanleg voor.’

U fotografeerde in verschillende streken van de wereld, van de Hoeksche Waard, Duitsland, en het Midden-Oosten tot Amerika en Brazilië. Zag u grote gelijkenissen in de diversiteit aan praktijken en opvattingen?

‘Ik vond vooral de verschillen enorm, niet zozeer van land tot land, maar vooral binnen één en dezelfde regio. In Amerika kwam ik zowel in contact met de rijke zakenman in Texas die enkel op grote dieren wilde schieten, als met de jager in Oregon die met zijn kind op een hert jagen gaat in de buurt van zijn woning. Ik sprak met biologen die het veld introkken, tot de jagers in Louisiana –de nazaten van de Franse migranten– die alles opeten wat loopt en vliegt. Met andere woorden: dat maakt de jacht eerder grijs dan zwart-wit.’

Veel mensen denken wél zo over jacht: in extremen, zonder veel nuance. Allemaal moordenaars.

‘Omdat ze ongeïnformeerd zijn. Maar wie eenmaal de details kent, of integendeel de ruimere context, toont vaak meer begrip. Omdat het dan natuurlijker lijkt. Anderzijds: jacht kampt nog steeds met een historische reputatie van machtsvertoon en aristocratie, hetzelfde met trofeejacht in Afrika, en de herinneringen aan bruut en arrogant kolonialisme.’

Een ander probleem: de geslotenheid van de sector lange tijd, het angstvallig weren van pottenkijkers. Dat schept natuurlijk geen vertrouwen.

‘Klopt. Maar dat verandert, langzaam. Een grootschalige pr-campagne gaat dat plots niet veranderen, maar ik zie wel mogelijkheden, bijvoorbeeld door het verhaal van eerlijk eten.’

Kreeg u al veel negatieve reacties op de fototentoonstelling? Jacht is namelijk een polemisch onderwerp.

‘Gek genoeg niet. Nochtans was ik mentaal helemaal voorbereid. Maar zelfs mijn veganistische vrienden vond het een prachtig initiatief. Wat misschien ook een rol speelt, is het feit dat ik niet zelf de trekker overhaalde, en dat ik bovendien probeerde een nieuw verhaal te brengen over de jacht. Ik kon makkelijk uit de 38.000 foto’s die ik trok een anti-jachtvoorstelling maken, met heel bloederig, aanstootgevend materiaal. Want ik zag veel zaken waar ik mij vragen bijstelde; niet elke jager neemt het heel nauw met de wetgeving of handelt vanuit de idee van duurzaamheid. Maar louter daarop focussen maakte op voorhand elk gesprek onmogelijk. En dat wil ik net uitlokken met de tentoonstelling: de dialoog aangaan.’

‘Daarom schrijf ik momenteel een boek over mijn jachtervaringen, wat mij de mogelijkheid geeft uitgebreid en genuanceerd over de zaken te reflecteren. Ik hoop ergens tegen eind dit jaar te landen.’

Toont u ook de bloederige kant van de zaak? Want vooral die details, de brute confrontatie met de dood, doet het publiek steigeren.

‘Ja. Ik laat wel degelijk de lugubere kant zien. In de tentoonstelling zit een foto van een gevilde beer, waarvan je het karkas en het vel naast elkaar ziet liggen. Ik schroom niet om die kant van het verhaal te brengen. Maar alles hangt van proportie af, en de manier waarop. Ik wil doelbewust geen horror brengen, wel een realistische kijk.’

Strekte u zelf ooit een dier?

‘Neen. Ten eerste: ik heb mijn jachtakte niet. En ten tweede, ik bezit niet het nodige zelfvertrouwen om een schot te zetten. Ik vrees het dier te verwonden, in plaats van te doden. En dat wil ik niet. Ik leerde wel slachten en het wild bereiden.’

U ondernam vele reizen, tot zelfs in het Amazonewoud waar u een stam bezocht. Nooit een gevoel van angst gekend?

‘Jawel, in de Rocky Mountains. De groep die ik volgde, had een groot hert geschoten, maar kon die niet meteen meenemen naar het kamp. Want te laat op de avond. Dus werd beslist om het dier te begraven, en de volgende dag op te halen. Zo gezegd zo gedaan, met het terugkeren naar het hert zien de jagers en de gidsen rond de hoop aarde uitwerpselen van een grizzlybeer, die duidelijk zijn zinnen op het kadaver zette. Toen voelde ik de spanning groeien. En al zeker wanneer, op een flank van de berg, de grizzly tevoorschijn kwam, en naar beneden liep, naar ons. De jagers zetten mij tussen de paarden, als bescherming. Het hert werd daarop in sneltempo uitgegraven en ingepakt, en weg waren we.’

‘Niet vergeten, ik reisde samen met een assistente, en twee vrouwen die met vreemde mannen met geweren afspreken in een bos: het typische uitje is het niet. Maar ik werd overal vriendelijk en gastvrij ontvangen.’

 

(Meer informatie over de fototentoonstelling terug te vinden op deze link)