‘Eric Leman, drievoudig winnaar van de Ronde van Vlaanderen, incarneert de paradox waarmee de jachtsector worstelt: het palmares dat jagers kunnen voorleggen oogt bijzonder fraai, maar de algemene appreciatie blijft achterwege.’ Dat schrijft het HVV-bestuur in de laatste editie van het ledenblad. 

Driemaal de Ronde van Vlaanderen gewonnen, vijf ritten in de Tour de France, Kuurne-Brussel-Kuurne op zijn naam hebben staan, net als Dwars door Vlaanderen, en dan nog eens tal van ereplaatsen: Eric Leman fietste in de jaren zeventig een prachtig palmares bijeen, waarvoor menig wielrenner een ledemaat zou afstaan. Vandaag geniet hij vooral van de jacht, naast de koers zijn tweede, grote passie in het leven.

In de september-editie van De Vlaamse Jager staat een uitgebreid portret van de man. Over zijn verleden als sportman, maar ook over zijn visie op wildbeheer en over de verrassende link tussen beide. Toch zeker toen hij nog reed. “Ik kwam fit de winter uit, klaar voor het wielerseizoen, omdat ik in oktober, november en december vooral in het veld zat, de hele tijd wandelend, speurend, op zoek naar een prooi”, aldus Leman.

Maar het verhaal van Leman inspireert op nog een andere manier: het toont aan dat vertrouwen op eigen kennis en kunde loont, los van wat anderen zeggen of denken.

In zijn hoogdagen moest ‘het sprintertje van Ledegem’ opboksen tegen een machine als Walter Godefroot, tegen de tandem Erik en Roger De Vlaminck, tegen een snelle Freddy Maertens én tegen de grootste aller tijden: Eddy Merckx. En toch, in verschillende koersen nam hij, tegen alle verwachtingen in, de maat van zijn concurrenten – met behulp van zijn verschroeiende sprint in de laatste driehonderd meter en zijn koersinzicht.

Maar vreemd genoeg, ondanks zijn triomfen op de weg, geniet Leman niet dezelfde populariteit of volkse genegenheid die andere coureurs in Vlaanderen wel genieten. Journalisten leken doorgaans meer oog voor de verliezers te hebben dan voor de stille, moeilijk verstaanbare winnaar – verliezers, die zich trouwens na de meet niet inhielden om de prestatie van Leman te minimaliseren.

Herman Chevrolet, auteur van ‘Land van wielrenners: verhalen uit de voorjaarsklassiekers’, gaf de volgende verklaring: “Hij was slimmer dan alle anderen, maar dat zagen de supporters niet. Dit was de essentiële tragiek van Leman: hij bracht geen duidelijkheid. Zodoende keerde iedereen zich van hem af, zonder dat ze iets van hem begrepen. Wellicht had hij grootser moeten leven, maar Leman was altijd van mening dat arrogantie onderdrukt moest worden. Daarin vond hij een zekere vrede.”

Maar wat heeft dat allemaal met jagen te maken? Veel. Misschien zonder het zelf te beseffen, incarneert Leman de paradox waarmee de jachtsector worstelt: het palmares dat jagers kunnen voorleggen in Vlaanderen –van het aanleggen van natuurgebieden, het nemen van maatregelen tegen overstekend wild, tot het indammen van wildschade – oogt bijzonder fraai, maar de algemene appreciatie blijft achterwege. De geboekte resultaten, vaak met een overstijgend maatschappelijk belang, krijgen amper aandacht, terwijl elke fout uitvergroot wordt door concurrenten.

Ook de bescheidenheid delen Leman en de jachtsector. Namelijk: niet de neiging voelen om het hoogste woord te voeren en de aandacht van anderen te trekken. Niet per se het laatste woord willen hebben en ageren vanuit rancune of woede. Maar eerder vanuit de luwte het theater gadeslaan, om dan met een weloverwogen strategie en een uitgekiend tactisch plan toe te slaan.

Daarom strekt Leman elke jager tot voorbeeld: hij bleef zichzelf, hij liet zich niet intimideren door grootspraak of perceptie, hij liet zich niet uit het lood slaan door op papier sterkere concurrenten, maar hij zocht zijn eigen weg en bleef al die jaren overtuigd van zijn eigen kunnen. Hij zocht naar de zwaktes bij de tegenstanders, om die intelligent uit te buiten, hij zweeg wanneer hij moest zwijgen, en sprak met zijn benen wanneer hij moest antwoorden. Leman was zowel op als naast de fiets een echte jager: iemand die het leven gadeslaat en op het juiste moment uit het niets toeslaat. Om dan met een prachtige trofee naar huis te gaan.