In De Vlaamse Jaagster van maart 2026 gaven we reeds een stand van zaken over het dossier rond het gebruik van geluiddempers en nachtzichtrichtkijkers. Wat de aandachtige lezer daarbij ongetwijfeld is opgevallen, is dat het wetsvoorstel dat op 17 juli 2025 in de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers werd goedgekeurd tot op vandaag nog steeds niet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dat is bijzonder ongebruikelijk.
De indiener van het wetsvoorstel, Steven Matheï (CD&V) informeerde ondertussen meermaals bij de FOD Justitie naar de stand van zaken omtrent het uitblijven van deze publicatie en naar de verdere uitwerking van het koninklijk besluit dat de uitvoeringsmodaliteiten moet regelen.
Ook Hubertus Vereniging Vlaanderen (HVV) volgt dit dossier al maanden nauwgezet op. In dat kader werd contact opgenomen met verschillende volksvertegenwoordigers. Dit resulteerde recent in parlementaire vragen aan federaal minister van Justitie, Annelies Verlinden (CD&V), door Alexander Van Hoecke (Vlaams Belang) op 3 maart en door Steven Coenegrachts (Anders) op 10 maart.
De minister antwoordde op 3 maart dat:
‘…Omwille van de risico’s voor de openbare veiligheid door de mogelijke afwending van de onderdelen naar het criminele milieu is een goede en controleerbare registratie van geluiddempers en nachtzichtrichtkijkers noodzakelijk. Een dergelijke registratie maakt controle mogelijk en verhindert dat de onderdelen op de illegale markt belanden.
Aangezien het Centraal Wapenregister door de federale politie wordt beheerd en de toegang en de toelating om wijzigingen aan te brengen tot bepaalde autoriteiten beperkt zijn, is dat het enige register dat kan dienen voor de registratie en de controle van die onderdelen.
Het Centraal Wapenregister bestaat al sinds 2010. De computerapplicatie en databank zijn niet ontworpen om geluiddempers of nachtzichtrichtkijkers te registreren.’
Met andere woorden: het Centraal Wapenregister (CWR), een politionele databank, moet eerst technisch worden aangepast om deze onderdelen te kunnen registreren. Aangezien het CWR wordt beheerd door de federale politie, valt dit onder de bevoegdheid van minister van Binnenlandse Zaken Bernard Quintin (MR).
Volksvertegenwoordiger Steven Coenegrachts (Anders) liet het hier niet bij en stelde op 10 maart bijkomende vragen aan de minister van Justitie. Daarbij merkte hij onder meer op:
‘… het blijft toch merkwaardig om te zeggen dat u die wet niet kunt uitvoeren omdat ze niet is gepubliceerd, terwijl u degene bent die ze moet publiceren. …
… Er ligt echter ook een verantwoordelijkheid bij de FOD Justitie, binnen uw bevoegdheden, en die is nagelaten. Ik hoop dus dat u snel zult overgaan tot publicatie van die wetgeving, ongeacht wat sommige mensen binnen sommige diensten van de FOD daarvan denken.’
Ondertussen heeft HVV ook zelf verdere stappen ondernomen. Zo werd een brief gericht aan Peter De Roover (N-VA), voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, en aan Ismaël Nuino (Les Engagés), voorzitter van de Commissie Justitie. In deze brief werd de bezorgdheid van de sector geuit over de huidige gang van zaken.
Vanuit parlementair perspectief kan deze situatie immers worden beschouwd als een omkering van de gebruikelijke verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht. In principe treedt een wet in werking nadat zij is aangenomen en gepubliceerd, waarna het aan de administratie is om de uitvoering ervan te organiseren. In dit dossier lijkt de publicatie van de wet echter afhankelijk te worden gemaakt van de administratieve uitvoeringscapaciteit.
De politieke druk, samen met de inspanningen van HVV, lijkt ondertussen resultaat op te leveren. Een ontwerp van koninklijk besluit met de uitvoeringsmodaliteiten werd aan HVV voor advies overgemaakt.
De politieke druk, samen met de inspanningen van HVV, lijkt ondertussen resultaat op te leveren. Intussen blijkt er beweging in het dossier te komen: een ontwerp van koninklijk besluit met de uitvoeringsmodaliteiten werd inmiddels aan HVV voor advies overgemaakt. HVV analyseert dit ontwerp momenteel in samenspraak met de Royal Saint-Hubert Club de Belgique (RSHCB) en de Belgische Wapenunie. Daarbij blijven we de ontwikkelingen nauwgezet opvolgen en de druk hoog houden, zodat dit dossier zo snel mogelijk tot een correcte en werkbare regeling kan leiden.