Hoewel de legende van Sint-Hubertus van de vroege middeleeuwen dateert, kan het leven van de patroonheilige nog steeds een verrassend modern licht werpen op de jagerij: zeker op vlak van ethiek.

Het verhaal gaat dat Hubertus, de zoon van de hertog van Aquitanië, een belangrijk Frans adellijk huis in de zevende eeuw, duidelijk van het goede leven hield. Het regeren liet hij namelijk aan zijn vader over, terwijl hijzelf de bossen, de velden, de waterkant opzocht, om gehoor te geven aan zijn éne grote passie in het leven, de jacht. Daarbij altijd op zoek naar het mooiste en grootste dier.

Het verergerde allemaal –althans volgens de bekendste versie van de feiten– toen zijn vrouw in het kraambed stierf. Een verlies dat de nog jonge Hubertus, nog geen dertig jaar op dat moment, niet verwerken kon. In een poging alsnog grip op de situatie te krijgen –namelijk door de situatie trachten te vergeten– verdween hij uren, dagen, soms wekenlang in zijn revier.

Psychologen zouden vandaag zeggen dat Hubertus, door obsessief wild op te speuren en telkens te beslissen over leven en dood, zijn eigen machteloosheid probeerde te compenseren. Te sublimeren. Met gevolg dat zijn passie, eens een hobby, uiteindelijk een bezetenheid werd. Een niet te controleren drang. Jacht, in het leven van de jonge weduwnaar, nam de vorm aan van een onstilbaar verlangen –even groot en even intens als de pijn die het moest verbergen.

In die dynamiek vervaagden stilaan grenzen, zowel innerlijk als uiterlijk. Alles en iedereen moest wijken –te beginnen met het mondaine leven aan het hof dat Hubertus nog maar weinig kon schelen, maar ook de indertijd geldende religieuze regels die waakten over het zielenheil van volk en individu.

En wat onvermijdelijk ooit moest gebeuren, gebeurde tenslotte: hij beging een zware zonde door uitgerekend op Goede Vrijdag te gaan jagen, de dag waarop Christus aan het kruis stierf –een dag vooral van inkeer, ingetogenheid en introspectie. Een dag waarop de gelovige bidt, en God om vergeving en raad vraagt. Maar Hubertus, overmoedig en dwaas, ging toch naar buiten, niet wetende dat zijn leven snel een drastische wending zou nemen.

Op een gegeven ogenblik ziet hij namelijk een edelhert staan –misschien wel het meest nobele stuk roodwild waarmee hij ooit oog in oog kwam. Maar wanneer Hubertus de pijl in zijn boog wil lossen, verschijnt in het machtige, brede gewei een brandend kruis. Als een waarschuwing. Als een gebod. Of zoals de negentiende eeuwse auteur Johan Wilhelm Wolf het poëtisch verwoordt: ‘Hoe komt hem God te raken!/Een hert komt hem te voren/Komt voor Hubertus staan/Van ‘t kruisbeeld tusschen de horen/Ziet hem Heer Jezus aan’.

Hubertus, die overmand en neergedrukt wordt door een vreemd soort combinatie van genade en gêne, valt meteen op zijn knieën –en begrijpt de betekenis en de verregaande implicaties van het beeld.

Een beeld dat vandaag nog steeds tot de verbeelding spreekt, en elke jager aanbelangt en uitnodigt om zelf na te denken over weidelijkheid en gepast gedrag. Want wat zegt het ten diepste? Dat overdaad schaadt. Dat hebberigheid en narcisme (alles voor mij, niets voor een ander) in het jachtrevier tot decadentie en verloedering leidt. Dat het exces (de onstuimige lust tot schieten) de vervreemding in de hand werkt.

Kortom, het kruis behoedde Hubertus voor onwenselijk gedrag dat een mens corrumpeert en slaaf maakt van een duivelse verslaving.

Positief en naar vandaag vertaald geeft dat als richtlijn: een echte jager houdt zich te gepasten tijde in. Niet alles wat voor het vizier verschijnt, moet meteen dood. Weidelijk gedrag is daarom maat kunnen houden. Maat wat de grootte van het tableau betreft. Maat in de ontplooiing van macht. En maat wat de opwinding aangaat: ga eervol en op de gepaste manier met het offer van het dier om –machogedrag hoeft niet.

November is een hoogmaand voor de jacht: buiten de ree en de grauwe gans staat alle bejaagbaar wild open. Gedenk daarom Hubertus en zijn levensles: wie op wild jaagt, hoeft zelf niet de wildebras uit te hangen.