Hubertus Vereniging Vlaanderen noemt de studie over de impact van de jacht op de patrijs, uitgevoerd door de Vlaamse administratie, ‘onvoldragen en een gemiste kans’.

De patrijs staat in Vlaanderen onder druk. Maar de patrijs is ook een wildsoort waarop gejaagd mag worden. Sommigen vinden dat onlogisch en zelfs absurd. Maar als het beheer duurzaam gebeurt –met oog voor biotoopverbetering en predatorcontrole– dan zorgt de jacht net voor een stabiel habitat en dus voor een gezonde, lokale ontwikkeling van het akkervogeltje.

In een rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), al dan niet toevallig vorige week verschenen, ligt die kwestie nu voor: wat is namelijk de impact van de jacht in Vlaanderen op de patrijzenpopulaties? En biedt een (tijdelijk) verbod op afschot soelaas in het opkrikken van de aantallen?

Hubertus Vereniging Vlaanderen, die zelf over een Kenniscentrum beschikt, ondersteunt elke vraag naar wetenschappelijk onderzoek naar wildevoluties. ‘Hoe meer kennis over de soorten in het buitengebied, hoe beter: jacht gaat tenslotte om een toekomstgerichte praktijk, bedoeld om van generatie op generatie over te gaan’, zegt Geert Van den Bosch, directeur van de jachtorganisatie. ‘Daarom net is het INBO-rapport een gemiste kans. Het ziet de jacht als grote schuldige, terwijl het blind blijft voor lokale successen van wildbeheereenheden, en bovendien de effecten van predatie en intensieve landbouw niet meeneemt in de analyse.’

Drie fundamentele bedenkingen

• Het rapport vertrekt van buitenlandse modellen, en past die vervolgens op de Vlaamse situatie toe. Maar kan dat zomaar? Neen, aldus Van den Bosch. ‘Er zijn namelijk geen gestandaardiseerde gegevens rond de voorjaarsstand van de patrijs in Vlaanderen voorhanden, net zomin over de voortplanting en de sterfte. Dat komt door het ontbreken van een eenduidig telprotocol. Dus de onderzoekers baseren zich op onvolledige datasets, terwijl harde feiten nochtans de basis vormen van gedegen wetenschappelijk onderzoek. Dat maakt, in dit geval, het vergelijken van de situatie in Vlaanderen met het buitenland zo moeilijk.’
Of zoals de auteurs zelf in een opmerkelijke passage schrijven: ‘Hierdoor is een precieze bepaling van de jachtintensiteit niet mogelijk en is het moeilijk uitspraken te doen over de mate waarin bejaging, naast habitatdegradatie, een rol speelt in de afname van de patrijs in Vlaanderen.’

• Het rapport focust enkel op het effect van afschot. En niet op de invloed van intensieve landbouw. En evenmin op de impact van de (gestegen) predatiedruk. Dat vindt Van den Bosch op zijn zachtst gezegd ‘vreemd’.
Waarom?
‘Uit andere onderzoeken blijkt namelijk telkens overvloedig het effect van verlies van geschikt leefgebied en de aanwezigheid van vossen op de achteruitgang van akker- en weidevogels. Waarom dat ineens negeren? Dat geeft niet alleen een onvolkomen maar vooral een verwrongen beeld van de realiteit op het veld nu, en belaadt de jagers met alle zonden van Israël. Wat onrechtvaardig is, en intellectueel oneerlijk.’

• Komt ook nauwelijks of slechts beperkt aan bod in het rapport: de inspanningen geleverd door de jachtsector voor het behoud van de patrijs. Zoals het Vlaams patrijzenproject, waaraan 55 wildbeheereenheden participeren, en dat sinds 2016 loopt. In 2017 zaaiden de deelnemers 413 hectare fauna-akkers met speciale zadenmengels in, hebben ze 28.007 struiken geplant die schuilgelegenheden bieden voor de patrijs, en onderhielden ze meer dan vijftig kilometer aan heggen. Om de akkervogels in de wintermaanden van voldoende voedsel te voorzien, werden daarnaast 2069 voedertoestellen geplaatst. Uit een eigen analyse van de voorjaarscijfers blijkt dat wildbeheereenheden die extra maatregelen nemen, vaker een schommelende of stijgende voorjaarsstand optekenen. Onder maatregelen valt tevens het verminderen van de predatiedruk van vossen en kraaien. Waarom neemt het INBO-rapport die positieve effecten niet mee?
Van den Bosch: ‘Belangrijk om te weten, is dat voor deze mensen net de patrijzenjacht de drijfveer is voor al deze inspanningen. Een algemene sluiting van de patrijzenjacht doet hun motivatie teniet en leidt zo tot een negatief effect op de populatie.’

Conclusie: ‘In de gezamenlijke zorg om de populaties van patrijzen stabiel te houden vinden de jachtsector en de onderzoekers van INBO elkaar. Niemand wil dat het prachtige vogeltje verdwijnt. Maar het gevoerde onderzoek is onvolledig omdat het enkel focust op het aspect jacht, waardoor Hubertus Vereniging Vlaanderen ernstige vraagtekens zet bij zowel de vraagstelling als de conclusies, als onvermijdelijk de doelstelling van het rapport. Het INBO doet beter zijn werk volledig, door ook onderzoek te voeren naar de impact van de andere aspecten, zoals predatie en het effect van intensieve landbouw. Want in het geheel ligt de waarheid’, besluit Van den Bosch.