In Vlaanderen bestaat onmiskenbaar een breed draagvlak voor de jacht. Dat blijkt uit een enquête die Hubertus Vereniging Vlaanderen in juni liet uitvoeren bij minstens tweeduizend Vlaamse respondenten.

De cijfers, verder in dit nummer in detail uitgelicht, vormen een opsteker voor iedereen in het buitengebied. Want als de jachtsector onder de aandacht komt, dan vaak kwalijk of grimmig – als het over stroperij gaat, of over een ongelukkig schietincident met mogelijke slachtoffers, zoals recent helaas nog in Ploegsteert.

Tegenstanders smullen van die berichtgeving en hopen dat bij elk negatief artikel de steun voor de jacht verder afkalft. Als sneeuw voor de zon smelt, om vervolgens politici onder druk te zetten de wetgeving nog strenger te maken.

Maar belangrijk in deze discussie: klopt die aanname wel? Strookt die met de feiten, of gaat het eerder om een ongearticuleerd buikgevoel
bij de criticasters? Vindt de Vlaming de jacht daadwerkelijk een laakbare praktijk, die beter helemaal verdwijnt?

Om die vraag te beantwoorden, schakelde Hubertus Vereniging Vlaanderen een marketingbureau in om te peilen naar de opinies en
attitudes onder de Vlaamse bevolking met betrekking tot het hele jachtgebeuren. Een unicum in de geschiedenis van de organisatie. En misschien wel in heel Vlaanderen: want nooit eerder gebeurde dat zo systematisch en zo grondig (de respondenten wisten bijvoorbeeld niet voor wie de resultaten bedoeld waren).

Wat blijkt onder andere? Vijftig procent van de bevraagden staat het strekken van wilde dieren toe wanneer dat gebeurt volgens de wettelijke voorschriften en volgens de weidelijkheidsregels. En bij de vraag of de jacht verboden moet worden, toonde 44 procent zich tegenstander, tegenover maar 18 procent pro-stemmen.

Ook het beperken van wildschade, het verhogen van de verkeersveiligheid (zowel op straat als in luchthavens) en het in stand houden van de biodiversiteit kan op veel appreciatie rekenen bij de bevolking.

Dat zijn bemoedigende vaststellingen, die aantonen dat jagen fundamenteel onderdeel uitmaakt van de samenleving en zowel intellectueel, emotioneel als ethisch te verantwoorden valt.

In die zin leert de enquête ook de jagers een lesje: in tegenstelling tot wat sommigen in het vak denken, is de buitenwereld (in casu: de niet-jager, de geïnteresseerde burger, de consument) ons niet zo vijandig gezind. Of toch niet zo rabiaat als dikwijls aangenomen in jachtkringen. Zelfs wie in de stad woont, toont zich niet specifiek of beduidend meer tegenstander.

Wil dat zeggen dat de jager nu op zijn lauweren moet rusten? Allesbehalve. Want de enquête toont dat de sector nog beter kan doen op
dat vlak. Een pak van de Vlamingen weet niet eens dat jagers nieuwe natuur aanleggen, of de onderkaken van geschoten reeën en everzwijnen inleveren bij de overheid voor wetenschappelijk onderzoek, of zich dienen te houden aan één van de strengste wapenwetten van Europa.

Allemaal zaken die op één of andere manier het clichébeeld over de jager ontkrachten – en een veel interessanter verhaal vertellen: één van dienstbaarheid aan de samenleving, één van betrokkenheid, een verhaal ook van rechten en plichten, en van eergevoel.

Daarom deze oproep, aan elke jager afzonderlijk, aan de groepen, aan de wildbeheereenheden, aan de onafhankelijken die nog geen lid zijn van de Hubertusvereniging: werp die scepsis af en communiceer over jullie activiteiten. Leg op rustige toon uit wat jullie doen. Organiseer samen- komsten voor de buurt. Verkondig waarmee je bezig bent – op Facebook, op Twitter, op jullie webpagina, aan de lokale media, in hoogst eigen persoon.

Want, als er nu al een draagvlak voor de jacht bestaat in Vlaanderen, wat gaat dat geven als de bevolking nog beter weet wat voor goeds de sector allemaal doet? En vormt de opening van het traditionele jachtseizoen daarvoor niet het ideale moment bij uitstek?

 

(Dit standpunt verscheen eerder in De Vlaamse Jager van oktober 2018)